Artikel bij ‘Te slim voor de brugklas’

Te slim voor de brugklas?
Wat denk je zelf?

Bijna twintig jaar ervaringsdeskundige als moeder van een hoogbegaafde zoon, gecombineerd met bijna tien jaar docente en brugklasmentor op een gymnasium hebben tot het boek ‘Te slim voor de brugklas’ geleid. Met dit boek hoop ik (aankomende) brugklasleerlingen – en hun ouders – aan het denken te zetten, ze voor te bereiden op hun jaren op de middelbare school.

Buitenland

Na het gymnasium studeerde ik Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Utrecht. Hoewel Nederland een fantastisch land is en ik blij ben dat ik hier ben geboren, is de wereld in mijn ogen te groot om op één plaats te blijven. Toen mijn zoon bijna één jaar was en ikzelf 26, zijn we dan ook naar de Spaanse Costa Blanca gegaan. Na vier mooie jaren met toch al wat strubbelingen in het onderwijs, werd onze volgende halte Zuid-Amerika, om precies te zijn het mooie Argentinië.

Ook hier had mijn zoon behoefte aan meer dan ‘alleen’ school. En dat kon: hij ging van half 2 ‘s middags tot half 7 ‘s avonds naar school, wat ons de ruimte gaf om bijvoorbeeld Chinees en Quechua te doen, maar ook nam hij deel aan de wiskunde-olympiade en veel buitenschoolse activiteiten. Ondertussen had ik een NOB-school opgericht, waardoor hij op zijn zevende jaar de CITO al haalde met een nagenoeg perfect score. In Argentinië werd hij na groep 7 aangenomen op het enige gymnasium in de provincie (ter grootte van de Benelux). Maar door onder andere gebrek aan keuzemogelijkheden binnen die opleiding, dacht ik dat het Nederlandse schoolsysteem hem meer zou kunnen bieden. We gingen terug naar Nederland  – en maakten oma en opa heel gelukkig!

Zo kwam mijn zoon in 2007 (hij was toen 8) in de brugklas van het gymnasium.

Docent en mentor

Een maand later werd ik op diezelfde school aangenomen als docente Nederlands. Tot 2016 heb ik daar met heel veel plezier lessen Nederlands gegeven, van brugklas gymnasium tot en met eindexamenklassen havo.

Vooral als mentor brugklas gymnasium heb ik veel slimme kinderen mogen leren kennen en van ze mogen leren. In die jaren volgde ik ook meerdere opleidingen en cursussen op het gebied van hoogbegaafdheid en binnen school hield ik me bezig met hoogbegaafdheid en reflecteren.

“Te slim voor de brugklas?”, vragen sommige ouders zich af. Ouders die echt wel zien dat hun kind zich eigenlijk nog niet vaak in heeft hoeven spannen, niet zijn of haar best hoefde te doen en weinig nieuwe dingen of vaardigheden leerde, terwijl klasgenoten die wél leerden. Zij vragen zich (terecht!) af of hun kind wel weet dat (en HOE) hij of zij het anders aan zal moeten pakken op de middelbare school.

Reflecteren
In het boek Te slim voor de brugklas lees je over de ervaringen van 7 slimme kinderen. Ze beginnen aan de brugklas en je beleeft de eerste maanden van dit nieuwe, spannende schooljaar met hen mee. Je leest over hun kennismaking met de school, elkaar en de mentor. Over de eerste lessen en hun eerste huiswerk. Lukt het ze om het goed in te plannen? Hoe plannen en leren ze voor de eerste proefwerkweek?

Daarnaast word je ook voortdurend zelf aan het denken gezet. In dit boek word je dus niet verteld wat je precies moet doen. Niemand weet toch beter dan jij wat het beste voor je werkt! Daarvoor moet je jezelf alleen wat beter leren kennen. Dat is nog niet zo makkelijk als het klinkt.
Na elk hoofdstuk vind je opdrachten die je daarbij helpen. Zo kom je erachter wát je nu eigenlijk zelf denkt. En waarom. Je leert stap voor stap reflecteren met behulp van een duidelijk schema. De verschillende opdrachten kun je invullen in het boek. Zo kun je over een tijdje je antwoorden nog eens nalezen. Denk je er dan nog steeds zo over? Of heb je een andere mening gevormd? En waarom dan? Wat denk je zelf?

Ook onderwijsprofessionals als leerkrachten, docenten, mentoren en begeleiders zullen veel van hun slimme leerlingen herkennen. Dit boek kan dan helpen in het ondersteunen en beter begrijpen van die leerling. Het reflectieschema kan meteen worden toegepast en ook andere studievaardigheden worden behandeld. Zowel samen aan de slag als zelfstandig inzetbaar. Wat denk je zelf?

Janneke van Oorschot

Kijk voor meer informatie op: www.teslimvoordebrugklas.nl.

Artikel bij ‘Wiebelen en friemelen in de klas’

Dat kind kan toch niet hoogbegaafd zijn?  

Hoe onderprikkeld gedrag mensen op het verkeerde been kan zetten.

Veel mensen denken dat HB-kinderen alles meekrijgen, informatie snel opnemen, een zeer brede interesse hebben en eigenlijk alles wel kunnen.  Als mensen dan een kind zien dat ongeïnteresseerd lijkt en niet goed bij de les kan blijven, dan kan dat volgens deze mensen, nooit een HB-kind zijn. Sommigen zeggen nu dat deze kinderen gewoon verveeld zijn omdat ze te weinig stof op hun niveau aangeboden krijgen. Maar wist je dat er er ook nog een andere oorzaak mogelijk is voor de schijnbare desinteresse en het niet bij de les kunnen blijven? Het kan namelijk zo zijn dat deze kinderen zintuiglijke prikkels tekort komen en daardoor niet helemaal ‘wakker’ zijn. Dat is het geval bij kinderen die onderprikkeld zijn. En het sluit niet uit dat ze hoogbegaafd zijn.

Onlangs waren  wij te gast bij een basisschool om Joerie te observeren (naam gefingeerd). Hij had problemen met concentreren en met zelfstandig werken.  Joerie was met sommige dingen niet op niveau en er werd getwijfeld of hij wel naar de volgende groep zou kunnen doorstromen. Dat, terwijl er ook een vermoeden van meer- of hoogbegaafdheid was, aangezien dat in de familie voorkomt.  Ouders zagen signalen bij hem die daar op wezen. Hoe kan dit toch: een misschien wel hoogbegaafde leerling die niet door kan stromen? De ouders en de leerkracht besloten dat er verder gekeken moest worden. Zij kozen ervoor de zintuiglijke prikkelverwerking van Joerie te laten onderzoeken.

Eerst maar eens even: wat is zintuiglijke prikkelverwerking?

Zintuiglijke prikkelverwerking (ZiP) is een hoofdtaak van je lichaam. Prikkelverwerking is iets wat iedereen altijd en overal doet. Jij ook. Nu.Ook bij jou komen nu via je zintuigen allerlei prikkels binnen, zoals kleuren, geuren en geluiden. Deze prikkels worden doorgegeven aan de hersenen. Die gaan ermee aan de slag; zij verwerken de prikkels, beoordelen of er iets mee moet worden gedaan en zo ja, wat. Dat doen de hersenen door middel van ‘prikkelfilters’. Dit zijn gebieden in de hersenen die bepalen of de zintuiglijke prikkels belangrijk genoeg zijn om doorgegeven te worden aan de hersenschors. Als dat zo is, dan word je de prikkel bewust en volgt er een reactie.

De prikkelfilters in de hersenen beoordelen dus de informatie door er een prioriteit aan te geven: de prikkel is heel belangrijk, interessant, nuttig of saai. Saaie prikkels worden niet doorgegeven, heel belangrijke prikkels worden heel sterk doorgegeven en interessante en nuttige prikkels minder sterk. Afhankelijk van de prioriteitenstempel volgt een reactie. Bijvoorbeeld: je knijpt je neus dicht omdat je bedorven eten ruikt (niet lekker, maar wel een interessante geurprikkel volgens de filters) en je negeert het geluid van auto’s op straat als je binnen zit, thuis (saaie geluidsprikkel). Dit mechanisme is prachtig en zorgt ervoor dat je niet gek wordt van alle prikkels die binnenkomen.

Wat als er te weinig prikkels doorgelaten worden?

Dan ben je onderprikkeld. We merken dat dit fenomeen minder bekend is dan overprikkeld zijn. Het betekent dat het prikkelfilter te streng is in het filteren van prikkels, hij laat er niet zo veel binnen. Hij vindt ze allemaal niet belangrijk of interessant genoeg. Te weinig prikkels bereiken de hersenschors. Dit betekent dat je te weinig prikkels binnen krijgt om op te kunnen letten en dat je informatie uit je omgeving mist.

Dat kan best heel relaxed zijn, want je hebt daardoor bijvoorbeeld niet zo snel last van je omgeving. Je bent niet zo snel afgeleid en kunt daardoor in een drukke omgeving best een boek lezen of studeren. Je bent flexibel, want het maakt jou bijvoorbeeld niet zoveel uit of er veel of weinig geluiden zijn en met het eten probeer je graag iets nieuws. Maar er is ook een keerzijde. Jouw reacties kunnen gebaseerd zijn op minder informatie, want je krijgt gewoon minder informatie door. Je hoorde niet dat de leerkracht jouw naam noemde, of je zag niet dat die rode pen tussen de andere pennen lag. Je hebt eigenlijk een minder goed overzicht over wat er op dit moment gebeurt en wat er moet gaan gebeuren.

Hoe ziet het er uit als jouw kind onderprikkeld is?

Als jouw kind onderprikkeld is en hij probeert meer prikkels te zoeken, dan herken je misschien de volgende kenmerken: Hij

  • zit te wiebelen op zijn stoel of staat op van de stoel, want zo lang kan hij helemaal niet stil zitten;
  • zit graag overal aan en stopt graag dingen in zijn mond (niet alleen eten, ook nagels, pennen, een pluk van zijn lange haren);
  • vindt het heerlijk als er veel mensen zijn, hij nodigt graag (veel) vrienden uit;
  • is altijd op zoek naar nieuwe ervaringen;
  • raakt snel verveeld;
  • is met zoveel dingen tegelijk bezig, dat hij zich moeilijk kan concentreren.

Als jouw kind onderprikkeld is en hij gaat niet op zoek naar extra prikkels, dan herken je misschien de volgende kenmerken: Hij

  • zit vaak te dromen en lijkt ongeinteresseerd;
  • heeft een wat ingezakte houding;
  • is onhandig, stoot zichzelf of stoot dingen van tafel;
  • ruimt niet veel op, is mede daardoor vaak iets kwijt;
  • heeft niet zo snel last van anderen;
  • heeft geen behoefte aan vaste routines.

Veel van de punten in het eerste rijtje hebben te maken met het opzoeken van zintuiglijke prikkels om extra informatie te krijgen. En bij het tweede rijtje hebben ze vooral te maken met een lagere alertheid. Om het mogelijk te maken dat je je lekker voelt en kunt leren, is het nodig dat er meer en sterkere prikkels zijn.

Terugkomend op Joerie

Tijdens onze observatie keken wij naar de lichaamstaal van Joerie. Wij zagen een jongen die, door zich letterlijk in allerlei bochten te wringen, heel hard probeerde zijn lichaam ‘wakker te schudden’.  Het grootste deel van de dag zittend op een stoel doorbrengen zorgt er bij hem voor dat hij niet kan laten zien wat er in hem zit. Maar hij had begeleiding nodig bij het gebruiken van de juiste strategieën op de juiste tijd om alert te kunnen blijven.

Gelukkig zijn er genoeg strategieën

We noemen een aantal dingen die kunnen helpen wanneer je onderprikkeld bent, zodat kinderen zich beter kunnen concentreren:

  • Even dansen tussen de bedrijven door, of zingen, of jumping jacks doen.
  • Direct na het buitenspelen werk doen waar je goed bij moet concentreren.
  • Ritme spelletjes; klappen, stampen, op de tafel te drummen of met stemgebruik.
  • Maak een eigen klassen-yell en doe deze wanneer de concentratie in aan het zakken is (voor inspiratie zoek op youtube op ‘yell’).
  • Staande werken aan een verhoogd oppervlak.

Wij hebben deze tips ook aan de leerkracht en de ouders van Joerie gegeven. En wij weten nog niet of Joerie hoogbegaafd is, maar wel dat dit hem zeker zal helpen bij beter bij de les te blijven.

Dus hoewel kinderen best voordeel kunnen hebben van het minder waarnemen van zintuiglijke prikkels, is het op de momenten dat zij zich moeten concentreren handig dat ze meer en sterkere prikkels aangeboden krijgen. Want als ze wegdromen, dan denken mensen misschien wel dat ze helemaal niet geinteresseerd zijn in wat zij aan hen proberen te vertellen. En dat hoeft natuurlijk helemaal niet zo te zijn. Ze moeten eens kijken hoe betrokken de kinderen zijn bij het onderwerp als ze eerst even een dansje hebben gedaan!

Monique Thoonsen en Carmen Lamp zijn de auteurs van het boek ‘Wiebelen en friemelen in de klas, over de invloed van zintuiglijke prikkelverwerking op leren’. In dit boek vind je nog veel meer tips & strategieen, voor onderprikkelde én overprikkelde kinderen. Ook op hun facebook pagina 7 zintuigen en op de website www.7zintuigen.nl delen zij informatie. Monique en Carmen geven lezingen, workshops en traininigen over zintuiglijke prikkelverwerking.

Ik voel me… doeboek

Teken en schrijf je schooldag van je af met het ‘Ik voel me… doeboek

Voor kinderen is het prettig en belangrijk om een schooldag rustig af te bouwen. Sommige van hen hebben daar wat hulp bij nodig. Want wat gebeurt er veel op zo’n dag. Het kan dan helpen om de schooldag duidelijk af te ronden.

Emmy van Harskamp is moeder van een hoogbegaafde zoon van 12. Toen de speltherapeute van haar zoon in groep 6 voorstelde om hem een schriftje bij te laten houden over hoe hij zich voelde, heeft zij het ‘Ik voel me… doeboek’ gemaakt. Haar zoon houdt niet van schrijven en een schrift met alleen lijntjes zou hem niet erg  inspireren om op te schrijven wat hij voelde. 

Voor iedere schooldag staan er 3 zeer afwisselende vragen in het boekje die de dag reflecteren en wordt de dag beoordeeld. Het geeft de ouders en de leerkracht de gelegenheid om even stil te staan bij de dag, bij de positieve en de minder positieve dingen.

Emmy’s eigen ervaring

De juf gaf hem elke dag 5 minuten om dit schriftje in te vullen. Na een week nam ze hem apart om door te spreken wat hij had ingevuld. Zo wist ze waar hij met zijn gevoel zat.

De uitgave bevat zes schoolweken om in te vullen. Mijn zoon had twee boekjes nodig. Daarna vertelde hij dat hij zich goed voelde zonder. Tot mijn verbazing gaf hij onlangs aan dat hij weer een boekje wil gaan invullen. Hij vindt de vragen, als groep 8-er nog steeds leuk!

De ervaring van anderen

Het boekje is heel goed bevallen. Onze dochter kon zich daardoor meer op de positieve dingen van school concentreren voordat ze naar bed ging i.p.v. op de negatieve dingen. – Babette, moeder van een dochter van 8 jaar

Heerlijk om erbij te pakken als je even een ‘een-op-een’ momentje hebt met een leerling. 
Grappige vragen zoals; “Hoeveel katten geef jij deze dag?” en “Teken vandaag eens een fantasiedier dat bij je humeur past.”, waarbij de leerling wordt verrast en op een speelse manier zijn gevoel laat zien. – Helen Zuidervliet, leerkracht groep 6

Een idee van mij was ook nog om het boekje voor de hele klas in te zetten. Regelmatig houden de leerkrachten kindgesprekken. Met dit boekje zou je iedere dag met een ander kind even kort de dag af kunnen sluiten. Lijkt me een ideale manier om de band tussen leerkracht en leerlingen nog verder te versterken! – Danny Bras, intern begeleidster obs de Bergse Zonnebloem en kindercoach

Meer informatie is te vinden op www.dotterdesign.nl

De huiswerkhulp

CHAPEAU: Leren is niet iets magisch

De Huiswerkhulp: handleiding leren per schoolvak

Veel kinderen modderen in de eerste klassen van het voortgezet onderwijs maar wat aan met hun huiswerk. Ze weten niet hoe ze efficiënt moeten leren. Dat is lastig voor die kinderen, maar ook voor hun ouders. Want veel ouders willen graag helpen met huiswerk, maar weten niet goed hoe. Want hoe leer je woordjes zonder uren bezig te zijn? Wat doe je als je ‘gewoon geen wiskunde kan’? En hoe bereid je een presentatie voor? Ons boek ‘De Huiswerkhulp’ geeft antwoord op al dit soort vragen.

Het zijn twee boeken: één voor leerlingen en één voor hun ouders. In beide boeken worden alle schoolvakken behandeld. Docenten leggen uit wat het vak inhoudt en hoe je het het beste kunt aanpakken. Ook komen vaardigheden als rekenen, presenteren, schrijven en ontleden aan bod. Het boek voor ouders legt daarnaast uit hoe je je kind kunt helpen met huiswerk, maar ook wat je vooral níet moet doen.

We schreven De Huiswerkhulp naar aanleiding van onze eigen ervaringen en die van onze kinderen, maar ook door wat we in onze omgeving hoorden. Zoals het verhaal van Michael. Michael is hoogbegaafd en doorliep de basisschool zonder zich te hoeven inspannen. Toen hij in 1-gymnasium zijn eerste onvoldoendes voor wiskunde te pakken had, was hij kwaad en verdrietig: iedereen riep altijd dat hij zo slim was, maar hij kon geen wiskunde!

Hoe zit dat? Is wiskunde echt te moeilijk voor Michael? Natuurlijk niet. Het werd duidelijk toen zijn ouders eens goed keken hoe hij wiskunde aanpakte. Drie dingen vielen op. Ten eerste maakte hij zijn huiswerk nooit. Ten tweede schreef hij nooit de tussenstappen op als hij sommen maakte op een toets. Ten derde was hij er inmiddels van overtuigd dat hij ‘slecht in wiskunde’ was.

Michael is geen uitzondering. Talloze leerlingen in de onderbouw, of ze nu hoogbegaafd zijn of niet, kampen met dit soort problemen. Op de basisschool hebben ze niet geleerd hoe ze moeten plannen, hoe ze een tekst moeten samenvatten, hoe ze kunnen leren van hun fouten en dat ze moeten doorzetten als het moeilijk wordt. Wat ze dan wel deden? Ze werkten veel in groepjes aan projecten en keken hun eigen werk na, waarbij fouten verbeteren niet zo belangrijk was. Er lag veel nadruk op hun sociaal-emotionele ontwikkeling en veel minder op kennis en leren leren. Toch worden ze op de middelbare school geacht te weten hoe ze hun werk moeten aanpakken. In De Huiswerkhulp geven we daarom per schoolvak een ‘handleiding leren’.

We hebben bewust gekozen voor twee boeken, één voor kinderen en één voor ouders. Want ook ouders hebben behoefte aan een steuntje in de rug. Wijzelf in elk geval wel. Ouders willen natuurlijk dat hun kind gelukkig wordt, maar de meeste ouders gaan ervan uit dat de kans daarop een stuk groter is mét diploma. Dus zien we allemaal graag dat onze kinderen hun huiswerk doen en behoorlijke cijfers halen.

Alleen: tegen kinderen van jaar of twaalf, dertien, veertien zeg je niet elke dag: ‘Zo, en nu je huiswerk maken! En je best doen!’ Je kunt het natuurlijk wel zeggen, maar het werkt niet zo goed. Het leidt tot eindeloze conflicten of tot ouders die avond aan avond het huiswerk van hun kind zitten te maken. En ook wel weten dat ze verkeerd bezig zijn, maar wat dan? Hij moet toch overgaan? Kinderen kunnen er bovendien niet zo veel mee. Want wat is je best doen? En hoe krijg je dat cijfer voor Engels omhoog als je niet weet hoe je het anders moet aanpakken?

In het boek voor ouders lees je wat je als ouder wel kunt doen. Belangrijk daarbij is loslaten, benadrukt psycholoog Gijs Jansen, die we hierover interviewden. Kinderen bepalen als ze ouder worden steeds meer zelf. Dat gaat niet altijd (meteen) goed, maar dat is niet erg. Ze hebben namelijk de ruimte nodig om fouten te maken, te verdwalen. Alleen dan kunnen ze groeien.

Niet te veel pushen dus. Maar wat dan wel? Er is eigenlijk maar één ding wat je kunt doen, stelt Jansen, en dat is concrete hulp aanbieden. Dus niet ‘beter je best doen’, maar wel: ‘is de manier waarop je woordjes leert handig? Of kan het ook sneller?’ Daarvoor moet je wel weten wat al die schoolvakken eigenlijk inhouden. Daarin is flink wat veranderd sinds de tijd dat ouders zelf leerlingen waren. Bij de talen bijvoorbeeld ligt de nadruk minder op stampen en meer op communicatie. Dat leidt ertoe dat er al scholen zijn waar je helemaal niet hoeft te leren welke naamval er komt na an of auf. En de bètavakken zijn veel ‘taliger’ dan vroeger. In het boek voor ouders lees je per vak om welke veranderingen het gaat.

Wij hebben er bewust voor gekozen niet te schrijven over het puberbrein, over leerstijlen, 21st century skills of de toekomst van het onderwijs, hoe interessant dat ook is. We wilden schrijven over die dingen waarnaar we zelf op zoek waren: praktische, concrete tips voor leerlingen en ouders. Vanuit het idee dat leren niet iets magisch is, maar iets wat je kunt leren. In de hoop dat wij en onze kinderen daar zelf iets aan zouden hebben. En dat we er al die andere leerlingen en ouders mee zouden helpen die ook behoefte hebben aan een duwtje in de rug. Zoals Michael, die moet begrijpen waarvoor die tussenstappen goed zijn. En dat het zin heeft om te oefenen. En dat hij niet slecht in wiskunde is, maar anders te werk moet gaan.

Meer informatie vind je op www.dehuiswerkhulp.nl.

Eva Rensman en Hajo Schoppen

IQ te koop

IQ te koop – Jan, Janneke en Ellen Sinot

Uitgeverij Terra, ISBN 978-90-8989-268-3            

Het boek is geschreven door Ellen Sinot, die toen 17 was,  en haar vader en moeder,  Jan en Janneke Sinot.

Het boek bestaat uit anekdotes en verhalen die steeds 2 bladzijden beslaan. Jan en Janneke vertellen over het leven van Ellen vanaf haar geboorte tot eind middelbare schooltijd. In het begin schrijven vooral zij over de leuke en lastige kanten van het hoogbegaafd zijn van Ellen, af en toe aangevuld met vroege herinneringen van Ellen. Later is Ellen steeds meer zelf aan het woord.

Ellen vertelt in haar voorwoord over haar reden om mee te schrijven aan dit boek. Ze wilde de problematiek beschrijven vanuit het perspectief van een hoogbegaafde zelf. Ze hoopt dat ouders en hoogbegaafden er herkenning in zullen vinden maar ook dat anderen het zullen lezen. Er bestaat veel onbegrip rond hoogbegaafdheid en ze hoopt hiermee meer begrip te kweken.

De titel ‘IQ te koop’ komt van Ellen zelf. Ze verzuchtte eens: ‘Als ik twintig IQ-punten zou kunnen verkopen, graag.’

Het boek is met humor en vaart geschreven.

Er zijn ontroerende verhalen maar ook verhalen over twijfel s, keuzes en de  zorg om op school de juiste begeleiding en voldoende uitdaging te krijgen. Laten we ons kind testen of niet? Hoe benaderen we de school? Is versnellen een oplossing?

Ouders van hoogbegaafde kinderen zullen veel herkennen in de soms alledaagse situaties en beschrijvingen maar ook in de dilemma’s en zorgen.

Ook hoogbegaafde middelbare scholieren zullen veel herkennen. Het kan prettig zijn om over de ervaringen van een ‘soortgenoot’ te lezen.

En de ervaringen die worden gedeeld kunnen tot meer inzicht en begrip leiden bij ieder ander die dit boek leest.

Ellen sluit af met een hoofdstuk over het – in haar ogen – ideale schoolsysteem en een nawoord.

Het boek wordt afgesloten met informatie over o.a. onderwijs, (belangen)verenigingen, tijdschriften en boeken.

Ginny de Jong

Ik en hoogbegaafdheid

Ik en hoogbegaafdheid – Nathalie van Kordelaar

Uitgeverij SWP Amsterdam, ISBN: 978-90-8560-598-0

Dit boekje van Nathalie van Kordelaar wil kinderen meer inzicht geven in hun hoogbegaafdheid. De ondertitel is dan ook ‘Inzicht in jezelf’. De meeste hoogbegaafde kinderen ervaren dat ze ‘anders’ zijn. Kennisvergroting in combinatie met tips, voorbeelden en oefeningen kunnen helpen bij het vergroten van inzicht in zichzelf, de manier waarop hun hoogbegaafdheid tot uiting komt en hoe ze hiermee om kunnen gaan.

Het boek begint met uitleg over hoe je het kunt gebruiken.

Dan volgt het verhaal van Jurre, een jongen uit groep 8. Jurre voelt zich niet begrepen en buiten de groep staan. In het verhaal volgt een gebeurtenis die daar verandering in brengt.

Hierna komen 5 hoofdstukken ieder rond een onderwerp: hoogbegaafdheid, hoe is het om hoogbegaafd te zijn, hoogbegaafdheid op school, perfectionisme en faalangst.

Ieder hoofdstuk bestaat uit een deel informatie over het betreffende onderwerp. In het hoofdstuk komen groene blokken voor met vragen in de vorm van een stelling waarop met ja, nee of ongeveer geantwoord kan worden. Verder komen er opdrachten, voorbeelden, tips en ’om over na te denken’ voor die duidelijk zijn voorzien van een pictogram.

Het boek sluit af met een quiz en nodigt een kind verder uit tot het bedenken wat hij/zij nog meer zou willen weten en hoe hij/zij dan aan de informatie denkt te gaan komen. Ook kunnen kinderen als ze zelf tips hebben voor de schrijfster dit naar haar mailen.

Het is een helder, overzichtelijk boek. Er is veel ruimte om te schrijven of te tekenen.

Door de opbouw zullen kinderen nadenken over de informatie die er in staat maar ook over hun eigen ervaringen. Er wordt uitgebreid in gegaan op de invloed van hoogbegaafdheid op het functioneren van een kind. Bovendien krijgt een kind meer inzicht in wat er op school zou kunnen worden ingezet om school meer uitdagend te maken en wordt het kind aangemoedigd hierover ook zelf te praten met zijn/haar ouders en leerkracht.

Hoewel ik het verhaal waar het boek mee begint niet helemaal realistisch vind, geeft het wel duidelijk aan hoe een kind zich kan voelen. De strekking is duidelijk. De rest van de voorbeelden zullen veel herkenning oproepen.

Heel sterk vind ik de uitleg over anders denken . Het zet helder uiteen waarom je je als hoogbegaafd kind ook anders kan voelen.

Een ander sterk stuk gaat over talent en oefenen/werken. Het benadrukt het belang van oefenen/trainen/werken om je talent ook daadwerkelijk tot bloei te laten komen. Ook al is alles wellicht makkelijk voor je op de basisschool, je zult toch moeten leren leren.

Er wordt niet gezegd voor welke leeftijd dit boek geschikt is maar dat zal voor de bovenbouw van de basisschool zijn. Daarnaast is het een prettig en informatief boek voor alle andere lezers.

Ginny de Jong

Hoogbegaafde pubers onderweg naar hun toekomst

Hoogbegaafde pubers, onderweg naar hun toekomst – Janneke Reedijk en Noks Nauta

Uitgeverij Pearson, ISBN: 978 90 265 2254 3

Hoogbegaafde pubers is een boek voor hoogbegaafde jongeren van ongeveer 12 tot 18 jaar en hun ouders, maar ook leerkrachten, psychologen en andere mensen kunnen door dit boek deze jongeren sneller herkennen en beter met hun om gaan.

In 11 hoofdstukken worden 11 verhalen van 11 fictieve jongeren uiteengezet en aangevuld met relevante kennis en deskundigheid. De personen in de verhalen zijn fictief maar de verhalen zijn wel samengesteld uit verhalen die verschillende jongeren de auteurs hebben verteld. De hoofdstukken zijn afzonderlijk van elkaar te lezen al zijn er wel verwijzingen naar informatie in andere hoofdstukken.

De auteurs schrijven vanuit verschillende invalshoeken, zoals onderwijs, psychologie en gezondheid, over en voor hoogbegaafde jongeren. Het boek hoopt een wegwijzer te zijn op het pad dat iedere jongere zelf moet vinden.

Het voorwoord is geschreven door Ellen Sinot. Zij schreef samen met haar ouders het boek ‘IQ te koop’.

In de hoofdstukken komen onder andere  rechtvaardigheidsgevoel, dyslexie, faalangst, perfectionisme, slaap,  dubbele diagnose, ADHD, onderpresteren, depressie, onzekerheid, aanpassen, signalering, sociale vaardigheden, vriendschappen, hooggevoeligheid, vervroegd naar het VO, creativiteit, assertiviteit, pesten, motivatie, autonomie, leren leren,  leerstijlen en het syndroom van Asperger aan bod.

Er wordt veel informatie gegeven vanuit verschillende invalshoeken. Ieder hoofdstuk wordt afgesloten met  relevante literatuur en websites zodat er verder gezocht zou kunnen worden naar informatie.

Ik vond het een bijzonder prettig boek om te lezen. Het is  fijn dat er een boek is over en voor hoogbegaafde jongeren. Ze kunnen hiermee zelf zoeken naar herkenning en relevante informatie, maar ook voor hun ouders is het een fijn boek om te lezen.

Ginny de Jong

Ben ik in beeld?

Ben ik in beeld? (H)erkenning voor beelddenkende kinderen, hun ouders en leerkrachten-

Marion van de Coolwijk  en Wendy Lammers van Toorenburg met illustraties van Juliette de Wit

Uitgeverij Lannoo, ISBN: 978 94 014 0794 6

‘Ben ik in beeld’ is een aantrekkelijk vierkant boek dat uitnodigt om het in te kijken. Met tekst in kleuren en vele illustraties wordt aan kinderen uitgelegd wat beelddenken is en waar je mee te maken kan hebben. Beelddenken komt veel voor en hoogbegaafde kinderen lijken juist een voorkeur te hebben voor beelddenken.

Het boek geeft inzicht in wat beelddenken betekent en wat het met je doet. In het boek kan je aangeven wat je herkent in jezelf waardoor je inzicht krijgt in waar je zelf tegenaan loopt en waarom dat zo is. De problemen die ermee gepaard kunnen gaan, vooral in ons talig ingestelde onderwijssysteem, worden besproken maar ook komen de talenten, mogelijkheden en voordelen uitgebreid aan bod.

Onder aan de bladzijden loopt een gekleurde band door het hele boek met tips en handvatten.

Het voorwoord wordt geschreven door Rola Hulsbergen, voorzitter Stichting Beelddenken Nederland. Zij benadrukt dat het boek geen stellingname is binnen de vele discussies rondom beelddenken maar eenvoudigweg (h)erkenning wil bieden voor beelddenkende kinderen, hun ouders en hun leerkrachten.

De auteurs Marion van de Coolwijk en Wendy Lammers van Toorenburg  en illustrator Juliette de Wit zijn zelf beelddenker en vertellen hier iets over. Wendy Lammers van Toorenburg schreef ook ‘Hoogbegaafd, nou én?’ en dit boek heeft eenzelfde opzet.

Het boek is bedoeld voor kinderen, om het zelf te lezen of met een volwassene. Het is ook een uitstekend boek voor hun ouders en leerkrachten.

Het boek leest prettig en de combinatie van tekst, kleur en illustraties geven een goed beeld over beeldenken en de dingen die daar mee samenhangen. Het laat zien wat beelddenken inhoudt, meer dan alleen tekst dat doet.

Ginny de Jong

Misdiagnose bij Hoogbegaafden

Genezen van een ‘chronische diagnose’: de impact van de misdiagnose

Diagnoses. Waar deze term eigenlijk is bedoeld voor DSM-5 (het naslagwerk met alle psychische afwijkingen), wordt deze in hoogbegaafdheidsland ook vaak gebezigd. Meer dan eens hoor ik ouders zeggen dat hun kind ‘gediagnosticeerd is als (hyper)hoogbegaafde’. Maar spreken we ook over een diagnose ‘gemiddeld IQ’?

Hoogbegaafdheid als diagnose

Tijdens het Novilo-congres in april had ik de eer om dagvoorzitter te zijn. Bij het openingspanel kwam de stelling ‘hoogbegaafd zou een diagnose in de DSM-5 moeten zijn’ aan bod. Een discussie ontstond, waarbij de één argumenteerde dat hoogbegaafdheid meer impact heeft dan sommige DSM-5 diagnoses, terwijl de ander meldde dat hoogbegaafdheid een zijnskenmerk is, waar niets ‘abnormaals’ aan is. Tja – het ligt maar net aan de zienswijze. Eén ding is duidelijk: er is veel verwarring.

Risico’s van hyperhoogbegaafdheid

De groep waar ik het meest mee werk is de hyperhoogbegaafde (145+) groep. Dit deel van de populatie is nog verder verwijderd van het landelijk gemiddelde. Dat komt tot uiting in vroegtijdige ontwikkeling en een hoge intensiteit van het beleven van de dagelijkse dingen. Psychologe Leta Hollingworth deed als eerste onderzoek naar de verschillen tussen de groepen en vond dat de groep van ‘optimale intelligentie’, die zij definieerde als IQ 120-145, in het algemeen meer plezier dan hinder van hun IQ had. Dit is heel anders voor de kinderen in de hyperhoogbegaafde doelgroep. Zij hebben een hoog risico op buitensluiting en eenzaamheid. Uit ander onderzoek bleek dat hyperhoogbegaafde kinderen vaker astma, allergieën en oorontstekingen hebben.

Labeltjes

Er is echter geen link met een hoger aantal psychische stoornissen, in ieder geval niet binnen de hele groep van 130-plussers (Neihart et al. 2002). Toch zie ik erg vaak hyperhoogbegaafde kinderen met een ‘labeltje’. En ironisch genoeg ‘genezen’ veel van deze kinderen met de juiste begeleiding van hun chronische diagnose. Hmm, als we de DSM-5 moeten geloven is dat onmogelijk. Maar hoe kan het dan? Er zijn gedragskenmerken die veel voorkomen bij hoogbegaafde kinderen die overeenkomsten hebben met daadwerkelijke diagnoses. Een goede leidraad zijn de overexitabilities, gedefinieerd door psychiater Dabrowski. Hij stelt dat mensen met een IQ van 110 en daarboven lineair meer vatbaar zijn om overprikkeld te zijn op gebieden zoals psychomotorisch, verbeelding en intellectueel. Dit kan heel positief zijn (bijvoorbeeld altijd andere ideeën hebben dan anderen, veel energie hebben, nieuwsgierigheid) maar ook lijken op bijvoorbeeld ADHD of een Autisme Spectrum Stoornis. Zo zijn kinderen met de psychomotorische overexcitability vaak erg druk en wiebelig en lijkt de fascinatie voor een thema vanuit de intellectuele overexcitability soms wel erg op autisme. Neem daarbij nog een scheutje van het toch al anders dan gemiddeld zijn en dus vaak weinig vriendjes hebben en: ta-daaa, een ‘raar kind’ met een diagnose.

Twice exceptionals

Daarnaast bestaan er natuurlijk duo-diagnoses: net als bij niet-hoogbegaafden komt er ADHD, dyslexie, OCD, depressie en ASS voor (al bestaan klassiek autisme en hoogbegaafdheid niet naast elkaar). Dit kan het talent maskeren, en is daardoor een extra uitdaging voor de diagnosticus, de begeleiders, ouders en het kind. We noemen deze groep ook wel ‘twice exceptional’, ofwel ‘dubbel bijzonder’.

James Webb over mis- en duodiagnose

Vanuit mijn werk voor Take on Talents spreek ik regelmatig met Dr. James Webb, onder meer over mis- en duodiagnoses. Eén van zijn grote frustraties is dat veel psychologen en artsen nog te weinig kennis hebben over hoogbegaafdheid. Zijn tip voor jou als Signaallezer is dan ook: laat de assumptie dat een professional over hoogbegaafdheid weet, los. Veel van hen weten nog weinig. Zorg dat je zelf veel weet en deel dat ook met de professional. Dan voorkomen we dat kinderen een onterechte diagnose krijgen ofwel dat hun hoogbegaafdheid over het hoofd wordt gezien dankzij een andere diagnose die daarnaast bestaat.

Meer weten over dit onderwerp? Lees dan Misdiagnose van Hoogbegaafden door Dr. James Webb en andere auteurs. ISBN: 978 90 232 5033 3 De tweede, meest up-to-date editie komt in april 2019 uit.

Femke Hovinga

www.talentissimo.nl

Boekenlijst 2015

Over lezen

In de vorige Signaal stond een oproep om te vertellen over het lezen bij onze kinderen. Ook deden we een oproep op Facebook. Er kwamen heel wat leuke reacties waarvoor dank.

Graag plaatsen we de 2 reacties van de 2 tieners die reageerden in zijn geheel.

Jules stuurde de volgende e-mail:

Beste signaal,
Ik ben inmiddels twaalf en zit in de tweede klas van het VWO, ik heb mezelf leren lezen in groep 2.

Ik las al erg snel grotere boeken en toen ik een jaar of acht was kwam ik tot de conclusie dat als op een site stond dat het een boek voor twaalf jaar en ouder was ik het ook wel kon lezen. Deze leeftijdscategorie (vier jaar ouder dan ik echt ben) gebruik ik nog steeds. Op mijn tiende was mijn zus van twaalf helemaal gek van de hongerspelen. Zowel mijn ouders als mijn zus vonden het geen goed idee dat ik dit ook ging lezen. Toen ze echter gingen wandelen met elkaar begon ik in het boek en toen ze terugkwamen was ik rond pagina honderd. Ik ben redelijk blijven steken in de fantasy genre voor veertien jaar en ouder. Het beste boek ooit dat ik heb gelezen is: Vlam van Floortje Zwigtman. Ik ben inmiddels begonnen met Engelse boeken. Mijn zus gaat het een stuk beter af, maar ik red me wel. Ik merk op dit moment wel dat ik mijn interesse in boeken verlies. Dit komt omdat ik in een groot aantal boeken hetzelfde patroon ontdek. Dat is ook de reden dat ik Vlam zo leuk vind. Het laat helemaal niks los.

De 12-jarige Rianne stuurde ons deze e-mail:

Lezen 
Ik ben knettergek op lezen. Toen ik aan het eind van groep 2 zat kon ik al lezen. Toen ik in groep 3 begon dacht ik: ‘Nu gaat het beginnen we gaan echt lezen, yess’. Maar nee, we begonnen met simpele en saaie woorden. Maan, roos, vis. Dat moesten we leren. Ik vond dat onzin om te leren. Die woorden stonden toch ook in boeken?! En dan eindelijk aan het einde van het jaar mochten we lezen in boeken! De boeken die we moesten lezen kende ik al of vond ik niet leuk.

Inmiddels lees ik de dikste boeken. Nu ben ik bezig in Boy 7 van Mirjam Mous. Het liefst lees ik lekkere dikke boeken. Meestal ben ik niet heel geïnteresseerd in meiden boeken. Ik hou vooral van boeken waarin iets van magie voorkomt, zoals Harry Potter van J.K. Rowling.

Gebaande paden
Uit de reacties blijkt wel dat onze spruiten het leren lezen meestal niet volgens de gebaande paden doen. De meeste hoogbegaafde kinderen zijn er al ruim voor groep 3 mee bezig. En ze hebben vaak zo hun eigen manieren. 

Mirjam vertelt over haar zoon dat hij stilletjes zichzelf heeft leren lezen door bijv. naar straatnaambordjes te kijken vanuit de auto. Opeens riep hij in de auto: ”Kijk mam, nu zijn we bij de ‘Botter’ en die straat heet ‘Praam’!”

Ook Brenda had een soortgelijke ervaring met haar oudste zoon. Toen ze bij de Efteling waren zei hij,  4½ jaar oud : “Graag uw dames verband  in de emmer deponeren” (of iets dergelijks? )”. Dan sta je toch even te kijken.

Ook kunnen ze er, net als mijn zoon, zo hun eigen mening over hebben, zo jong als ze zijn. Marloes vertelt over haar jongste zoontje dat hij al vroeg besloot dat lezen stom was omdat zijn oudere broer niet met hem wilde spelen omdat hij verdiept was in zijn Donald Duck. “Zo klein als hij was, riep hij uit dat Donald Duck stom was en dat hij later nooit zou leren lezen!” Hij heeft dat nog een poos volgehouden maar gelukkig is hij niet erg consequent en begint hij na 4 maanden leesonderwijs voorzichtig te lezen.

Dieke vertelt dat haar inmiddels tienerdochter het lezen heel makkelijk oppikte op school en leeshonger kreeg. “Meidenboeken hebben haar nooit gegrepen, wel boeken met spanning, zoals Harry Potter.” Ze volgde min of meer het normale pad op school met lezen maar je ziet wel dat ze nu de moeilijkere boeken leest. Dieke’s zoon kon al lezen in groep 1 maar las een tijd lang niet graag boeken, hij vond ze saai. Strips werden wel verslonden. Gelukkig gaat hij nu met bijna 11 toch vaker uit zichzelf een boek pakken. Bijzonder is: “Hij leest dan ook snel (diagonaal).”

Inge’s zoon leerde zichzelf lezen op de peuterspeelzaal en las vooral alles om hem heen. Zijn bijzonderheid? “Eenmaal gelezen was het boek ook klaar, voor deze kleuter geen herhaling.”

De oudste zoon van Marloes had al een buitengewone belangstelling voor letters en cijfers vanaf een jaar of 3. Eenmaal naar school waar hij nog niet mocht leren lezen, hield ze hem 1 middag per week thuis en liet ze hem letters en woordjes schrijven. “Hij las woorden gewoon, op z’n kop, in spiegelbeeld en binnenste buiten (op winkelruiten).” Hij las vooral de Donald Duck en informatieve boeken en begint nu (groep 6) de overstap naar leesboeken te maken.

De zoon van Liesbeth, nu 9, leerde zich de letters aan met het leercomputertje van zijn grote broer. Dat had een functie om letters te verklanken. “Hij heeft een paar weken steeds op de toetsen gedrukt en beheerste toen alle letters. Toen hij 3 was kwam het schrijven en lezen (in die volgorde).”

Sinds hij alles kan lezen is de boekenkast van zijn grote broer, nu 12, favoriet.

Problemen
Dat er ook problemen ontstaan rondom het lezen, wordt vaak genoemd. Kinderen kunnen behoorlijk gedesillusioneerd raken als ze naar groep 3 gaan. Ook wordt genoemd dat de methode om te leren lezen erg frustrerend kan zijn. Het gaat heel langzaam en het hanteren van sommige middelen zorgen vaak voor frustratie of zelfs leesproblemen zoals de stopwatch, estafettelezen, woordenlijsten enz. Zeker bij beelddenkers kan dit behoorlijk fout gaan.

Mirjam vertelt verder de teleurstelling voor haar oudste erg groot was toen hij naar groep 3 ging. Woordenlijsten waren een ramp. En in groep 6 bleek dat hij moeite had met hardop lezen. “Om hem toch te stimuleren hardop te lezen (want dat wordt op school gevraagd) leest hij zijn jongere broertje voor.” Een creatieve oplossing! Voor zijn broertje die ook al boven het niveau leest zijn al afspraken gemaakt op school.

Brenda vertelt over haar jongste zoon dat hij ook begon te lezen in groep 1 maar dan heel voorzichtig. Hij is erg gevoelig voor wat anderen vinden en denken. “Want zelfs bij leestesten,  blijkt hij in staat precies het gemiddelde niveau van de klas te laten zien. De perfecte aanpasser…” Gelukkig leest hij thuis graag en op zijn eigen niveau.

“Onze oudste is toen hij net 5 was naar groep 3 gegaan. Vanaf dat moment heeft hij niet meer gelezen, niet onder dwang, niet voor zijn plezier. “ Toen eind groep 5 bleek dat hij Ernstig Enkelvoudige Dyslexie had was dit voor Patricia’s zoon zo’n opluchting dat hij weer is gaan lezen. Zijn zusje Las ook al voor groep 3. Helaas is zij gaan onderpresteren en raakte anderhalf jaar geen boek meer aan waardoor ze zelfs een achterstand opliep. Nu wordt ze weer uitgedaagd en ineens vindt ze lezen weer leuk! “Ze heeft zichzelf ten doel gesteld dat ze alle Mees Kees boeken zelf heeft. Ze spaart, koopt en leest t in een week uit.”

De dochter van Esther kende wel de letters op de kleuterschool. In groep 3 verveelde ze zich al snel met lezen. De methode veilig leren lezen was voor haar helemaal niet zo veilig. “Ze werd bloednerveus van minuten testen en AVI niveaus en had totaal geen plezier in lezen.” Nu hebben ze in overleg het ‘gedoe rond lezen’ losgelaten op school. Ze mag lezen wat ze wil en hoeft bij de juf alleen maar even te checken of het boek niet te puberaal is. Nu leest ze op hoog niveau en met veel plezier!

De oudste zoon van Jolanda las de nummerborden voor toen hij 2 was. “Hij stopte met lezen op de peuterspeelzaal en daarna deed hij met de klas mee,” vertelt ze over hem. De jongste wilde helemaal niet leren lezen. Hij is nu 7 en ze weten nu dat hij dyslectisch is.

Voorlezen
De meeste van ons ouders hebben het gedaan: voorlezen. Voorlezen is gezellig en leuk. Voorlezen is heel goed voor de taalontwikkeling. Kinderen leren nieuwe woorden. Ze leren hoe een zin is opgebouwd. En door over het boek te praten, leren kinderen ook actief met taal bezig te zijn. Het voorlezen is goed voor het goed leren luisteren en de opbouw van concentratie. Het stimuleert de fantasy van je kind. Het leert over de wereld om hem heen.

Bij zware onderwerpen waar een kind mee bezig is zoals angst, dood of ziekte, kan het voorlezen over zo’n onderwerp steun bieden en manier om een gesprek erover op gang te brengen.

Tot slot geeft het een kind een gevoel van veiligheid. Kinderen komen tot rust tijdens het voorlezen en op vaste tijden voorlezen kan helpen bij het bieden van structuur. Het kan een mooi ritueel voor het slapengaan zijn, een mooie afsluiting van de dag.

Natuurlijk lezen we voorleesboeken voor. Maar uit de reacties bleek ook dat de informatieve boeken en kijkboeken erg populair zijn bij de kinderen. Ook wordt er door vele van ons de moeilijkere boeken voorgelezen als de kinderen daar wel al naar verlangen maar nog niet zelf kunnen lezen. Veel van ouders zijn ook blijven voorlezen nadat hun kinderen zelf konden lezen.

Donald Duck
Ook valt op dat de Donald Duck door vele van onze kinderen erg graag gelezen wordt. Mirjam struint zelfs de kringloopwinkels af op zoek naar stapels Donald Ducks! De Donald Duck wordt eigenlijk door alle kinderen leuk gevonden maar blijkt ook erg populair te zijn bij kinderen die om verschillende redenen niet graag (meer) lezen.

Titels en auteurs

Voor het voorlezen werden de volgende (soorten) boeken genoemd:

  • Sprookjes
  • boeken met korte verhalen
  • boeken met een thema zoals de boerderij, de aarde enz.
  • (het omdraaiboekje van) ‘Dikkie Dik’ van Jet Boeke
  • de boeken van Richard Scarry met plaatjes en woordjes
  •  ‘Harry Potter’ van J.K. Rowling
  • (De Fantastische Meneer Vos van) Roald Dahl
  •  ‘Pinkeltje’ van Dick Laan
  • ‘De Gelukkige Olifant’ van Youp van ’t Hek
  • ‘Dolfje Weerwolfje’ van Paul van Loon
  • ‘Jeroen en de zilveren sleutel’ van Daan Zonderland
  • de boeken van Stephen en Lucy Hawking over het heelal
  • de boeken van Carry Slee
  • ‘Saskia en Jeroen’ van Jaap ter Haar.

Om zelf te lezen:

  • Strips en Donald Duck
  • AVI boeken: de bolleboos serie van Swijsen en ‘Mees Kees’ van Mirjam Oldenhave
  • Informatieve boeken:
    • De Guinness Record boeken
    •  Encyclopedieën
    • Engelse moppenboekjes
    • de ‘Waanzinnig om te Weten’ serie van Kluitman
    • ‘Het Grote Geschiedenisboek’ van Wim Daniëls (4-12)
    • ‘Vet Oud!’ van Richard Zuiderveld en Aant-Jelle Soepboer (12-14)
    • ‘Het Raadsel van Alles dat Leeft’ van Jan Paul Schutten (4-12)
    • ‘In een land hier ver vandaan’, ‘Overal en ergens’, ‘Voorbij de Horizon’, ‘Een Hele Kunst’ en ‘Lang Geleden’ van Arend van Dam en Alex de Wolf (4-12)
    • ‘Alles over techniek’ en ‘Alles over de Planeet Aarde’ en ‘Hét Kennisboek’.
  • Voor kinderen:
    • Dolfje Weerwolfje’ van Paul van Loon(7-9)
    • Geronimo Stilton en Thea Stilton van De Wakkere Muis
    • ‘Dummie de Mummie’ van Tosca Menten(6-8)
    • de boeken van Roald Dahl
    • de serie ‘De Waanzinnige Boomhut’ van Andy Griffith en Terry Denton (10-12)
    • ‘De wraak van het Spruitje’ van Jan Paul Schutten (10+)
    • ‘Hoe verzorg ik mijn Draak’ van Tim Kennemore (10-12)
    • de mysterieserie voor kinderen ‘Avontureneiland’ van Helen Moss (7-9/10-12),
    • ‘Spinder’ van Simon van der Geest (9-12)
    • de serie ‘De Grijze Jager’ van John Flannagan (9-12)
    • ‘De Kleine Kapitein’ van Paul Biegel (voorlezen 7+, zelf lezen 9+)
  • Voor tieners:
    • de serie ‘Harry Potter’ van J.K. Rowling (10+)
    • de boeken van Darren Shan (10+)
    • de boeken van Anthony Horowitz (vanaf 10+)
    • de serie ‘Warrior Cats’ van Erin Hunter (10+)
    • De serie ‘Septimus Heap’ van Angie Sage (10-12)
    • De ‘Taragon-trilogie’ van Eva Raaff (10-12)
    • De serie ‘Percy Jackson’ van Rick Riordan (10-12)
    • ‘Het leven van een loser’ van Jeff Kinney (10-12)
    • ‘Dagboek van een Muts’ van Rachel Russell (10-12)
    • De ‘Edelsteen-trilogie’ van Kerstin Gier (13-15)
    • de trilogie ‘De Hongerspelen’ van Suzanne Collins (YA)
    • ‘Vlam’ van Floortje Zwigtman (YA)
    • ‘Boy 7’ van Mirjam Mous (YA)
    • De boeken van John Green (YA)

Belangrijk: De leeftijdsaanduidingen die hier zijn gebruikt zijn van internet gehaald. Hoogbegaafde kinderen zijn vaak eerder toe aan boeken dus deze leeftijdsaanduiding is zeker niet zaligmakend. Een probleem bij hoogbegaafde kinderen kan zijn dat ze qua niveau al een stuk verder zijn dan op basis van hun leeftijd mag worden verwacht maar zomaar niveaus hoger gaan lezen is lang niet altijd de oplossing omdat het boek misschien (nog) niet aansluit bij hun beleving. Het zoeken naar geschikte boeken kan dan een ingewikkelde toer worden.

Ginny de Jong