De Positieve Desintegratie Theorie van Dabrowski

Dr. Kaziemierz Dabrowski (1902-1980) was een Poolse psycholoog, psychiater en filosoof. Hij ontwikkelde de Positieve Desintegratie Theorie. Deze persoonlijkheidstheorie staafde hij met veel klinisch, empirisch en biografisch onderzoek. Hij richtte zich daarbij vooral op getalenteerde en begaafde mensen. Hij heeft heel veel werk nagelaten waarvan een groot deel nog niet is vertaald. Omdat hij pas later Engels leerde, is veel van zijn werk in het Pools. De eerste versie van zijn theorie schreef hij in 1937.

Dabrowski was thuis in kunst, muziek, literatuur, filosofie en wetenschap. Typerende eigenschappen van hem waren zijn kalmte, energieniveau, warmte, minzaamheid en intellect.

Tijdens zijn veelzijdige opleiding tot psycholoog en psychiater kwam hij in contact met of werkte hij voor een aantal toonaangevende psychologen en psychiaters waaronder Sigmund Freud en Jean Piaget. Hij werd geïnspireerd door de filosofie van Plato en de filosofen Kierkegaard en Bergson.

Dabrowski maakte 2 wereldoorlogen mee en is gevangen gezet ten tijde van het nazisme en het stalinisme. In WO II was hij oprichter van een instituut dat in het geheim onderdak bood aan oorlogswezen, priesters, Poolse soldaten, verzetsleden en Joodse kinderen. Naar eigen zeggen was hij getuige van zowel het laagst mogelijke inhumane gedrag als het hoogst mogelijke menselijk e karakter.

Persoonlijkheid

Dabrowski definieert persoonlijkheid als een volledig ontwikkeld individu, zelfbewust en zelfgekozen. De persoonlijkheid ontwikkelt zich door desintegratie (uiteenvallen) van de bestaande emotionele en cognitieve structuren. Het proces is nodig om structuren van een hoger niveau te ontwikkelen en te groeien als mens. Desintegratie is een aanwijzing voor positieve verandering in het innerlijke psychische milieu van een individu.

Dabrowski ziet psychoneuroses (overspannenheid, stress, grote angst, minderwaardigheidsgevoel, schuldgevoel, depressie) niet als ziekte. Hij zegt dat neurose en innerlijk conflict niet noodzakelijk negatief hoeven te zijn en niet dadelijk moeten worden  bestreden. Het innerlijk conflict is mogelijk een aanwijzing van emotionele groei of in ieder geval de potentie daartoe.

Deze visie is, op z’n zachts gezegd, afwijkend van het beeld van de ‘psychisch gezonde mens’ dat overheerst binnen de klassieke psychologie.

Niveaus

De Positieve Desintegratie Theorie beschrijft de persoonlijkheidsontwikkeling in 5 opeenvolgende niveaus:

Niveau 1 (primary integration)

Egocentrisme overheerst. Zelfrechtvaardigingen voeren de boventoon. Zelfreflectie ontbreekt en er is geen eigen verantwoordelijkheid als het fout loopt. Er is geen noemenswaardig innerlijk conflict en dat wordt ook als hinderlijk en ongewenst beschouwd. Er is enkel conflict met anderen. Er is weinig vermogen tot empathie. Conformiteit en zich aanpassen worden voortdurend nagestreefd. De meeste mensen bevinden zich op dit niveau.

Niveau 2 ( Unilevel Disintegration)

Dit is het eerste niveau dat gekenmerkt wordt door desintegratie. Er is nu innerlijk conflict aanwezig maar het blijft oppervlakkig (unilevel) en richtingloos. De innerlijke conflicten uiten zich in humeurschommelingen, depressieve gevoelens, onrustgevoelens, psychosomatisch klachten, angsten, fobieën, onzekerheid enz. Het leidt nog niet tot het ontstaan van een eigen waarde- en normensysteem. Aanvaarding door anderen en ‘doen wat hoort’ is nog heel belangrijk. De gedachten gaan vaak in kringetjes rond en keuzes maken is moeilijk. Men wordt heen en weer geslingerd tussen verschillende richtingen en mogelijkheden. Deze ontwikkeling gaat vaak gepaard met zelftwijfel.

Velen vallen terug naar niveau 1 om zichzelf te beschermen tegen verdere desintegratie. Sommigen blijven hierin steken. Bij deze mensen krijgt de desintegratie geen richting en is er geen stuwende kracht tot groeien. Sommigen groeien door naar niveau 3.

Niveau 3 (Spontaneous Multilevel Disintegration)

Er is veel innerlijk conflict maar dat krijgt nu richting en geeft aanleiding tot emotionele groei. Er ontwikkelt zich een eigen waarden- en normensysteem gebaseerd op eigen emotionele en cognitieve ervaringen dat het gedrag stuurt. Men maakt zich steeds meer los van ‘wat hoort’. Dabrowski noemt dit positieve onaangepastheid. Er is conflict tussen ‘hoe ik ben’ en ‘hoe ik wil en kan zijn’. Men wordt gedreven door een persoonlijkheidsideaal in zichzelf. Daardoor zijn er gevoelens van ontevredenheid met zichzelf, existentiële angst en innerlijke morele conflicten. Het kan een zeer pijnlijk proces zijn.

Men moet de behoefte aan goedkeuring van anderen loslaten en leren geloven in zichzelf.

Er is een groeiend besef van persoonlijke autonomie. Men is niet langer in de macht van de wereld om hen heen. Er vindt een stijging van gevoel van eigenwaarde plaats.

Op dit niveau hebben mensen hun eigen lijden onder ogen gezien en er inzicht in gekregen. Zo zijn ze in staat anderen werkelijk bij te staan in hun pijn in plaats van hen er ‘zo snel mogelijk van af te helpen’. Dit niveau is cruciaal voor een positieve persoonlijkheidstransformatie en als dit niveau is bereikt, kan men niet meer terug glijden naar niveau 2 of 1. Een klein deel van de bevolking bereikt dit en soms zelfs niveau 4.

Niveau 4 (Organised Multilevel Disintegration)

De persoonlijkheidsontwikkeling via innerlijk conflict wordt nu bewust gestuurd door het individu. Het eigen waarden- en normensysteem wordt sterker en beter afgelijnd. Het eigen persoonlijkheidsideaal wordt duidelijker en meer bereikbaar. Men wordt rustiger. Er is een toename in het vermogen tot empathie. Men toont een sterk verantwoordelijkheidsgevoel, authenticiteit, zelfbewustzijn, autonomie in praten en handelen en zelfreflectie. Zelfperfectie is hier de motor. Er vindt zelfacceptatie plaats in plaats van schaamte en schuld.  In plaats van het geforceerd streven naar een hogere ontwikkeling is er een gevoel van zekerheid dat de ontwikkeling gewoon gebeurt. Er is een sterke vermindering van innerlijk conflict, faalangst en weerstand. Men ontwikkelt een groot mededogen voor de pijn van anderen zonder er zelf door overweldigd te raken.

Niveau 5 (Secondary Integration)

Innerlijke conflicten verdwijnen door het bereiken van het persoonlijkheidsideaal, wat men kan en wil zijn. Er is integratie van de eigen waarden en normen in hoe men is en hoe men zich gedraagt. Denken en voelen zijn met elkaar versmolten in een flexibel en harmonieus geheel. Empathie en altruïsme zijn prominent aanwezig. Niveau 5 is maar voor een enkeling weggelegd, zoals: Dalai Lama, Tich Nhat Hanh en mahatma Ghandi.

Ontwikkelingspotentieel (development potential)

Dabrowski hanteert ook het begrip ontwikkelingspotentieel. Het is het aangeboren vermogen dat het karakter en de mate van de mentale groei bepaalt. Van invloed daarop zijn 3 krachten:

1.      The  first factor: de aanleg van de persoon; de aangeboren kenmerken, mogelijkheden en capaciteiten (nature)

2.      The second factor: de invloed van de sociale omgeving (nurture)

3.      The third factor: de wil om te groeien; de bewuste autonome processen waarbij het individu zelf bepaalt welk deel van zijn aanleg en welke invloeden van de omgeving hij accepteert en versterkt en welk deel hij verwerpt of beperkt. Het gaat hier dus om de wil om te veranderen en het individu is daar bewust mee bezig.

Volgens Dabrowski bestaat het ontwikkelingspotentieel van iemand uit zijn aangeboren speciale talenten en begaafdheden, de 5 overexcitabilities en de wil om te groeien.

Piechowski

Dr. Michael Piechowski voegde hier later uitdrukkelijk intelligentie aan toe. Waarschijnlijk viel dat voor Dabrowski onder talenten en begaafdheden. Piechowski, die als jonge man regelmatig samenwerkte en co-publiceerde met Dabrowski, vormde later met zijn werk de link tussen de Positieve Desintegratie Theorie van Dabrowski en het wetenschappelijk onderzoek in verband met hoogbegaafdheid.

Piechowski beschouwt de 5 overexcitabilties als indicatoren van hoogbegaafdheid. Ze voeden en ondersteunen het aanwezige talent. Hoogbegaafdheid is veel ruimer dan de concepten IQ en intelligentie.

Intelligentietesten alléén geven geen prognose over het verdere verloop van de ontwikkeling van het aanwezige talent. Het concept development potential, gemeten aan de hand van de 5 overexcitabilities, doet dat volgens hem wel.

Overexcitabilities

Men kan de term overexcitabilities vertalen met hooggevoeligheid. Het zijn belevingskanalen die, onafhankelijk van elkaar, van zeer sterk over zwak tot nauwelijks aanwezig zijn. Als zo’n kanaal duidelijk aanwezig is en dus open staat dat vertoont de betrokken persoon voor die belevingsdimensie, een meer dan gemiddelde responsiviteit op stimuli. Hij is dus sneller geprikkeld dan het gemiddelde individu en zijn beleving is ook anders van kwaliteit.

De 5 overexcitabilities zijn:

1.    Psychomotorisch (fysieke energieniveau)

Kenmerken van grote capaciteit om actief en energiek te zijn:
–          Grote beweeglijkheid
–          Opgewondenheid
–          Snel praten
–          Impulsiviteit
–          Lichamelijke onrust
–          Bezig willen zijn
–          Gedrevenheid
–          Competiviteit
–          Moeite met ontspannen

2.      Zintuiglijk (zintuiglijke waarneming en beleving)

Kenmerken van grote capaciteit tot zintuiglijk genieten:
–          Verfijnde en verhoogde zintuiglijke gevoeligheid
–          Sterk genieten van schoonheid, kunst, literatuur, muziek, vormen, kleuren, natuur
–          Drang naar comfort en luxe
–          Behoefte om bewonder te worden en in de schijnwerpers te staan
–          Gevoelig voor sterke prikkels zoals fel licht, intense geuren, hard geluid, ruwe kleding of kledingetiketjes

3.      Intellectueel (activiteit van de geest)

Kenmerken van grote intellectuele honger (niet hetzelfde als intelligentie en refereert dus niet naar academische successen):
–          Een constante drang naar het vergaren van kennis
–          Zoeken naar de waarheid
–          Onophoudelijk vragen stellen
–          Alles analyseren en synthetiseren
–          Gefascineerd zijn door logica en theoretische problemen
–          Scherp observatievermogen
–          Onafhankelijk denken
–          Kritisch zijn
–          Symbolisch denken
–          Ontwikkelen van nieuwe ideeën en concepten
–          Sterk in het leggen van verbanden
–          Denken over het eigen denken
–          Grote nieuwsgierigheid

4.      Verbeelding (verbeeldingskracht)

Kenmerken:
–          Vaak gebruiken van beelden en metaforen
–          Poëtisch taalgebruik
–          Sterk vermogen tot levendige visualisaties met vele details
–          Inventief en fantasievol
–          Snel wegdromen bij verveling
–          Vluchten in fantasie- en droomwereld
–          Imaginaire vriendjes
–          Dramatiseren
–          Magisch en animistisch denken
–          Creatief
–          Innovatief
–          Groot gevoel voor humor
–          Beelddenker
Het betreft dus de ver-beeld-ing, letterlijk en figuurlijk.

5.     Emotioneel (emotionele intensiteit en sensitiviteit)

Kenmerken:
–          Complexe gevoelens en emoties
–          Intense gevoelens
–          Sterk en verfijnd gevoelsbewustzijn
–          Sterk vermogen tot empathie
–          Sterke gehechtheid aan personen, dieren of plaatsen
–          Verlegenheid
–          Opwinding
–          Psychosomatische klachten
–          Stemmingswisselingen
–          Sterke gevoelsherinneringen van ervaringen in het verleden
–          Bezig zijn met de dood
–          Angsten
–          Depressies
–          Intens gevoel van eenzaamheid
–          Sterk verantwoordelijkheidsgevoel
–          Schuldgevoelens
–          Zelfmoordgedachten
–          Scherp rechtvaardigheidsgevoel

Emotionele overexcitability vormt, via zelfreflectie en zelfbeschouwing, de basis van de relatie tot zichzelf en via medeleven en responsiviteit, de basis van de relatie met anderen. Het gaat hier niet om emotionaliteit maar om emotionele intensiteit en sensitiviteit.

Dabrowski had ongezouten kritiek op het onderwijssysteem. Kinderen genieten geen educatie maar worden gevormd, haast afgericht, binnen de strakke kaders van het systeem. Educatie omvat volgens Dabrowski geen nivellering naar het statische gemiddelde van de klas, maar juist een aanmoediging om de uniciteit van het eigen karakter te laten reflecteren in de gestelde doelen en gehanteerde waarden (Rankel, 2008). Dit is natuurlijk een grote uitdaging in een klas met meerdere hooggevoelige kinderen die uit nieuwsgierigheid onophoudelijk vragen stellen of diep gekwetst kunnen zijn door een onbedoeld dubbelzinnige opmerking.

Dabrowski’s theorie is de laatste 20 jaar steeds meer in de belangstelling komen te staan. Nog steeds wordt er werk van hem vertaald. Er wordt gewerkt aan een instrument om de 5 overexcitabilities te meten. Dit is echter nog in een experimenteel stadium.

Ginny de Jong