Wat is hoogbegaafdheid?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

“Erken hoogbegaafdheid als thema in iemands leven, het kleurt namelijk alle levensgebieden.”
– Citaat uit het artikel ‘Een talent voor valkuilen: De psychologie van Hoogbegaafdheid’ door Sieuwke Ronner en Noks Nauta.

Modellen
In de loop der jaren zijn er een aantal modellen ontwikkeld die het cognitieve gegeven trachten te bevatten.
Aan het einde van de 19de eeuw ontwikkelde de Fransman Alfred Binet de eerste intelligentietest voor militaire doeleinden. Hieruit bleek dat er grote verschillen bestaan tussen de intelligentie van individuen. Daarmee werd de belangstelling van wetenschappers gewekt.

Lees meer

De profielen van hoogbegaafde leerlingen van Betts & Neihart

 

In 1988 stelden Betts & Neihart op basis van hun ervaring in de vorm van observaties, interviews en literatuuronderzoek zes profielen op van begaafde leerlingen. In 2010 werden deze profielen bijgewerkt. De zes profielen zijn een theoretisch concept waar vanuit inzicht verschaft kan worden.
Voor alle profielen geldt dat deze niet statisch zijn. Ook kunnen leerlingen zich afhankelijk van o.a. de omgeving anders profileren in verschillende situaties. Bovendien kan een leerling bijvoorbeeld door goede begeleiding of juist het uitblijven daarvan van het ene profiel naar het andere profiel verschuiven. Hierna worden de zes profielen kort besproken. Het volledige schema van Betts & Neihart (2010) staat onderaan dit artikel met dank aan het Talentenlab.

Lees meer

Hoogbegaafdheid

Hoogbegaafd, je hoort steeds vaker de term hoogbegaafd vallen, maar wat is “hoogbegaafdheid” precies?

Van hoogbegaafdheid bestaan verschillende definities. Sommigen beschouwen de uitzonderlijke potentie, bijvoorbeeld hoge intelligentie, als hoogbegaafdheid, terwijl volgens anderen slechts van hoogbegaafdheid sprake is indien ook de prestaties daadwerkelijk uitzonderlijk hoog zijn. De laatsten zullen uitzonderlijke potentie definiëren als ‘hoogintelligent’. De bijzondere begaafdheid kan tot uitdrukking komen in motorische, artistieke, sociale en intellectuele vaardigheden.

In de meeste gevallen wordt hoogbegaafdheid echter wel verbonden aan hoge scores op een intelligentietest, waarbij men ervan uitgaat dat prestaties boven de 98 percentielgrens als hoogbegaafd/hoogintelligent gekwalificeerd moeten worden. Bij de in Nederland meest gebruikte intelligentietest, de WISC, komt dat overeen met een IQ van 130 of hoger. Diverse wetenschappers hebben begaafdheid in een model vervat. Onderstaand worden drie zeer bekende modellen besproken.

De Theorie van Positieve Desintegratie van Dabrowski

Dr. Kazimierz Dąbrowski (1902-1980) was een Poolse psycholoog, psychiater en filosoof. Hij was thuis in kunst, muziek, literatuur, filosofie en wetenschap. Typerende eigenschappen van hem waren zijn kalmte, energieniveau, warmte, minzaamheid en intellect.

Dąbrowski maakte 2 wereldoorlogen mee en is gevangen gezet ten tijde van het nazisme en het stalinisme. In WO II was hij oprichter van een instituut dat in het geheim onderdak bood aan oorlogswezen, priesters, Poolse soldaten, verzetsleden en Joodse kinderen. Naar eigen zeggen was hij getuige van zowel het laagst mogelijke inhumane gedrag als het hoogst nobele.

Dąbrowski ontwikkelde de Theorie van Positieve Desintegratie, die hij staafde hij met veel klinisch, empirisch en biografisch onderzoek. Hij richtte zich daarbij vooral op getalenteerde en begaafde mensen. Hij heeft heel veel werk nagelaten waarvan een deel nog niet is vertaald. Omdat hij pas later Engels leerde, is veel van zijn werk in het Pools. De eerste versie van zijn theorie schreef hij in 1937. 

Lees meer

Het meer-factoren-model

Op basis van empirisch onderzoek naar hoogbegaafdheid kwam Renzulli (1978, 1981) tot zijn ‘drie-componentenmodel’. Hierin kwam hij tot de conclusie dat de basis voor hoogbegaafdheid bleek te liggen in een samenspel van drie componenten: Lees meer

Het model van Cagné

Een ander model waarin de interactie tussen de verschillende factoren wordt aangegeven, is het onderstaande model van Gagné (1985, 1991). De “aptitude”-domeinen, dat wil zeggen: aanleg, zijn genetisch bepaald en ontwikkelen zich min of meer spontaan. Er zijn echter twee soorten katalysators: de intrapersoonlijke en de omgeving. Tezamen bepalen zij hoe de aanleg zich gaat ontwikkelen en uiten. Lees meer